Ingedeeld onder: Uncategorized
Hij kan verschrikkelijk geïnteresseerd naar Vitaya kijken. Verschrikkelijk oprecht geïnteresseerd. Ik vind dat schattig en sexy, en ook wel grappig, want zijn stoere spieren, wilde manen en ruige mannenhanden combineren op het eerste zicht niet met Vitaya. Hij wil liefst altijd het voorste lepeltje zijn. Wat ok is, want ik ben liefst het achterste. Daar zijn we erg complementair in.
Hij snurkt niet, hij blaast. Zijn lippen maken een plofgeluid en dan volgt er een fffff. Zo komt het dat ik soms lig te giechelen terwijl ik eigenlijk hoor te slapen. Helemaal niet erg.
Hij is mijn liefste maar hij is niet mijn lief. Ik weet zijn ochtendhumeur zo te doorprikken. Van de tweede keer at ik mijn cornflakes op zijn manier, terwijl hij de ontbijttafel op mijn manier had gedekt. Het kan snel gaan.
Er zijn vele hele belachelijke autistenneigingen die wij gemeenschappelijk hebben. De muziek op onze beide computers is op exact dezelfde manier ingedeeld. Een mapje per artiest, en daaronder de mapjes artiest spatie streepje spatie album, en daaronder de artiest spatie streepje spatie liedjes. En alles moet met hoofdletters. Wij hebben beiden een hekel aan kruimels in het boterpotje en aan wanneer mensen de kraan te lang laten lopen.
Hij belt bijna nooit maar als hij zegt dat hij belt dan belt hij. Hij heeft een hoge moeilijkheidsgraad. Mensenkennis voor gevorderden. Ik kan heel goed doen alsof mij dat niet deert, alsof ik de diepst verborgen sliertjes sociale intelligentie niet bijeenverzamelend opgraaf in mijn hoofd, alsof ik niet nadenk over wat die rimpel in zijn voorhoofd nu weer wil zeggen, wanneer ik beter zwijg of spreek. Soms belt hij om te zeggen dat ik beter niet kan komen hoor. Dan is er weer iets niet naar zijn naar-perfectie-strevende-zin gegaan en is hij slechtgezind. “Oh, maar dan kom ik helemaal niet hoor. Ik laat u wel doen!” zeg ik dan, luchtigheid pretenderend, en ik geef een zoen en ik hang op, waarna hij een heel klein beetje later terugbelt en “Dju toch” zegt. Dju toch? “Ja, ge hebt me daarjuist weer goedgezind gemaakt. Kom toch maar, hoor. Nu?” Dan is het paukenslag trompetgeschal triomfgejuich alom hierbinnen, natuurlijk, maar geen haar op mijn hoofd dat er aan denkt dat te gaan exclameren. Hij is verschrikkelijk goed in heel erg genuanceerd doen over alles en iedereen. Ik ken maar weinig mensen die zo in het midden kunnen staan en er toch een gefundeerde mening aan overhouden.
Ik ben zijn liefste maar ik ben niet zijn lief. Wanneer hij televisie kijkt en ik niet, gebeurt het dat hij stilzwijgend plots het volume harder zet. Dan gaat het altijd over iets dat mij interesseert. Dju toch, denk ik dan, hoe weet hij dat? Hij bewondert mij om mijn objectieve benaderingen van vrouwelijke intriges, om mijn van nature felrode lippen, mijn atletisch uithoudingsvermogen, mijn grote pigmentvlek en de zeven sproeten die hij daar graag in telt. Hij vindt het belachelijk dat ik aan beenontharing en zonnebank en aan tetjescomplexen doe. Toch weiger ik met die dingen op te houden.’s Middags eet hij zestien belegde boterhammen. Zestien. Hij kocht net een appartement, ik een huis, we doen allebei niet aan sport maar wel aan keiveel overuren, en verder kunnen we uren babbelen over bijvoorbeeld latijnse benamingen van planten in den hof. Zelfs op zijn vrije dag trekt hij toch een tshirt aan met het logo van zijn eigen bedrijf. Zijn eigen bedrijf is eigenlijk de mannelijke versie van wat ik doe op mijn werkvloer, wat wij ook remarkable vinden, net zoals onze reispaspoorten indertijd op exact dezelfde dag zijn aangevraagd -ook al kenden we elkaar nog niet- en dus ook op dezelfde dag vervallen. En de jongen waar ik als twaalfjarige hartstochtelijk verliefd op was -mijn beste vriendinneke ging het aanvragen terwijl ik in de boskes stond te schuilen zodat hij mij en mijn schaamrood niet zou kunnen zien- is nu zijn beste vriend.
In heel veel dingen zijn we heel erg traag. Verwachtingen, bijvoorbeeld, daar doen we niet aan mee. Raak je alleen maar teleurgesteld van. Etiketjes: ook niet. Dienen toch maar om iets te benoemen waarvan ge maar al te goed weet wat het is, en om na een tijd losgepulkt te worden door onszelf of elkaar of iets overmachtsachtigs. We weigeren elkaar als lief te profileren. Ons blijft gewoon alleen van ons.
Zoals we graag soms doen van fleske wijn erbij, maar alleen soms want altijd is niet meer bijzonder, zo doen wij het ook voor elkaar: ons is er soms, dat is bijzonder, alle andere dagen zijn gewoon, en zo houden we de teleurstelling minimaal.
En dat werkt. Wanneer ik afscheid van hem neem, doe ik dat altijd met de veronderstelling van weer minstens een week zonder. Toch slaagt hij er telkens in me binnen de 24 uur weer te spreken. Dat is dan feest, ook al is dat dan niet veel meer dan heb jij goed goed geslapen - boa joat - hard gewerkt veel spierpijn - en het was weer zo fijn gisteren he?. En iedere keer denk ik: het kan niet anders of we zien elkaar weer een beetje liever.
We doen wat we doen, en we kunnen maar hebben wat we hebben. En we zijn wie we zijn. Elkaars liefste, niet elkaars lief.




