Ingedeeld onder: Uncategorized
Mijn ego is soms zo groots dat ik in iedere spiegel die ik tegenkom een vette knipoog geef. Zo van “Heey, joeoe, grave griet, wat zijt ge toch een coole!”
Dan moet ik een zonnebril opzetten of ik word verblind door mijn eigen persoonlijkheid. Dan draag ik geen fuck-me-botjes, maar fuck-YOU-botjes.
Soms echter denk ik dat ieder oneffenheidje aan mijn hart een onoverkomelijk grote blauwe plek is, erin gestompt door het verleden. Dan ben ik mij overgevoelig bewust van mijn zwakke plekken. Vorige maandagavond bijvoorbeeld, toen ik weer maar eens naar de stad was gefietst. Om iets te doen wat maar vijf minuten in beslag nam. Na die vijf minuten zette ik mij op een bank op de Groenplaats, alleenzamig, om een beetje aan zelfreflectie te doen. Geen goed idee. Een avond die valt, alleen op een bank na stressvolle dagen die een beetje in mineur eindigden, de stadsdrukte om mij heen, en tranen. Want ik ben toch zo’n loser en wat heb ik nu eigenlijk al bereikt-helemaal-niks en wat gaat er van u worden-helemaal-niks. Toch is er dan door het zieligs heen meteen ook het relativerende: iedereen maakt fouten, niet alleen gij, Vuur, bij niemand gaat het allemaal gemakkelijk, en ge zijt heus niet pakken onbekwamer-in-het-leven dan een gemiddelde ander. Ik moest janken en lachen met mezelf tegelijk. Misschien zo slecht nog niet.
Ik vertoefde op een heleboel planeten de voorbije dagen, en ik ben nog niet zeker of ik wel helemaal terug ben. Maar vannacht kroop ik in bed met twee pannenkoeken, opgewarmd van den Aldi, en als ik met eten in bed kruip, dan is dat een teken dat het goed met mij gaat.
De wereld is zo fokking belachelijk klein dat een mens zich afvraagt waarom er in godsnaam nog zijn die met grootheidswaanzin rondlopen. Deze week waren er maar liefst zes openbaringen van die-en-die van vriendengroep A kennen blijkbaar via-via die-en-die van vriendengroep B. Of C of D. Maar dan minder ingewikkeld dan het klinkt. Ergens zijn we allemaal vrienden van elkaar. We zijn allemaal hetzelfde. We doen allemaal graag een terraske van zodra de zon zich laat voelen, we proeven allemaal de geur van smoutebollen als we horen dat de Sinksenfoor er weer is, we creëren MySpace-accounts om onze vrienden te kunnen tellen, en stiekem zet iedereen graag elkaar in zijn bloteke.
(Zo ging ik een paar dagen terug 60 baantjes zwemmen, met twee kameradinnen. Zij kropen in een kotteke en ik in een ander en toen ik al vijf minuten aan ‘t dralen was aan mijn kastje en zij nog steeds niet klaar waren riep ik ‘Hallo!? Ik sta hier al lang in vol ornaat op jullie te wachten hoor!’. ‘Jaaaaaah….’, riepen ze, ‘dat gij rap uit de kleren kunt gaan wisten wij al langer!’ waarop er nog wat speelse schunnigheden volgden en een stel mannelijke twintigers het hoofd om hun deur staken om te zien over wie dat nu allemaal ging. Ik stond ràp terug in mijn kotteke, hoor. Het was niet mijn enigste genant moment deze week, maar laat mij u dat alstublieft besparen.)
Woensdag heb ik mijn laatste examen succesvol! afgelegd en om dat te vieren heb ik iets gedaan waar ik al lang een beetje goesting voor voelde, maar nu pas van durfde zeggen ach-ja-we-doen-impulsief-en-daarna-zien-we-wel. Het was iets met een inschrijvingsformulier waar er nogal wat over uw verleden wordt gevraagd en waar ge twee foto’s en een overtuigende brief bij moet voegen. Geen idee of het een staartje krijgt maar als het er komt hoort u er ongetwijfeld nog van.
Dat de wereld zich maar klaarhoudt! Ik heb er nog grootse plannen mee. En niet alleen dat. Vandaag over twee maanden zit ik in Barcelona. Vandaag over drie maanden zit ik in Syrië. Vandaag over vier maanden kan ik zeggen dat ik in zowel de Dode als de Rode zee heb rondgedabberd.
Kijk, zo moeilijk is dat niet. We dabberen wat rond en we komen vanzelf wel ergens uit.
Ingedeeld onder: Uncategorized
Den eerste dag, dat is intussen meer dan dertig jaar geleden. Op een trap. Een trap in een legerkazerne in Duitsland, waar hij toen officier was en zij les gaf aan soldatenkinderen. Eén blik. Die avond bleek in de plaatselijke uitgaansgelegenheid de cola op, en zij lustte geen bier. Hij liet haar meedrinken van zijn glas. Een paar dagen later klopte hij een nageltje in de muur, om een kadertje op te kunnen hangen. Zij klopte boos aan om zoveel nachtlawaai. Tot bleek dat hij het was.
Het duurde nog anderhalf jaar eer ze elkaar hebben kunnen overtuigen dat militairen niet per sé geassocieerd hoeven te worden met brutaliteiten. Dat liefde verre afstanden kan overwinnen.
Zoals het in de films gaat, bijna, zo schoon. Ik word daar helemaal week van.
Ik word daar nog steeds bijna iedere dag helemaal week van. Gisteren toen ik thuiskwam lagen ze zó lief in de zetel te knuffelen, mijn ouders. Ik zei ‘hallo’ en ze zeiden ‘hallo’ terug en ik zei nog eens ‘hallo’ en ze voelden zich apparently niet eens betrapt. Ze deden zelfs gewoon verder, zich warmend aan elkaars warmte. Ze zeiden nog net niet “Komt er gezellig efkes bijliggen, jong”.
Ik kan niet beschrijven hoe dankbaar ik ben in zo’n liefdevol nest op te mogen groeien. Ik ken ze al mijn hele leven en ik heb ze nog nooit één minuut ruzie horen maken. Echt. De papa kan nog steeds heel verliefd kijken, de mama plaagt dat het een lieve lust is [één van mijn favoriete woordcombinaties, die 'lieve lust' ... betekenisvol en allitererend en inhoudelijk zo ... lief ... én hmrwm tegelijk]. Het doet mij geloven dat het kan. Dat het misschien zelfs niet eens zo moeilijk is. Dat ik het ook zou kunnen. Grààg.
Er wordt veel gelachen in ons gezin, wij vinden dat belangrijk. Zo is er openlijk een zogezegde aanhouder voor ons mama. G., heet hij, en we steken nogal graag de schuld op hem als er ergens iets mis gaat. Accute rommel? Tja, G. is weer langsgeweest zeker!? speelt mijn papa dan boos. Of als de mama wat vroeger dan verwacht de papa de sleutel in het deurgat hoort steken, kirt ze heel verwachtingsvol: ‘G.!?!!’ om dan gemaakt enórm teleurgesteld te zijn als het dan -oh verrassing- toch maar slechts de papa blijkt te zijn. Ha, domestieke taferelen … ik vind dat hartverwarmend.
Ik had er vanavond aan tafel geen moeite mee dat onder de stoelen te steken. “En zeggen dat dat al dertig jaar zo is …” toen de een den andere weer aan ‘t plagen was over ‘ik ga uw zakgeld nog eens verminderen, hoor, als ge niet braaf mijn dertig cent teruggeeft’. En ik dacht bij mijn eigen ‘Maaaat, der-tig jaar! En nog steeds hoor ik soms gegiechel vanuit hun slaapkamer!’. Toen werd het verhaal nog eens bovengehaald van hoe ze elkaar leerden kennen.
“Zo ziet ge maar, Vuur, ge kunt de Ware overal tegenkomen. Zelfs op een trap.” Mijn vader keek eens heel verliefd naar haar en ik probeerde mij allerlei soorten trappen voor de geest te halen.
Het was een fijn tafelgesprek, die avond. Het ging over dromen en dromen verwezenlijken en dat ‘nu’ de enige moment is waar ge voor zou mogen leven. Want ge weet niets vantevoren, en achteraf is alles relatief. En het is goed met elkaar rekening te houden, maar ge moet vooral met uzelf rekening houden. En het is goed met elkaar rekening te houden, maar ge moet elkaar waard zijn. Iedere cent van uw spaarboek, en iedere seconde van uw toekomst.
If I think about all the girls I’ve known or slept with or just desired, they’re like a bunch of Russian dolls. We spend our lives playing the game, dying to know who’ll be the last. The teeny-tiny one, hidden inside all the others. You can’t get to her right away. You will have to follow the progression. You have to open them, one by one, wondering, “Is she the last?”
Dat komt uit één van mijn meest favoriete films, ja. Een film die ik in vele opzichten geniaal vind. Ik zei het al, ik ben een weekdier.
Het is de liefde die we niet begrijpen: we worden er gek van en we verspillen er enorm veel tijd aan. En energie! En al die vragen die we ons steeds stellen!
Maar het kan dus echt en ik word iedere dag geconfronteerd met een prachtvoorbeeld daarvan.
En als ik te klef aan ‘t doen ben, moet ge ‘t zeggen, zeu.