niets.dan.vuur


Ik ben de zee en gij moogt met mij mee
22 oktober 2007, 11:14 pm
Ingedeeld onder: Uncategorized

“Doe nog eens iets”, stond er in mijn niets.dan.vuur-inbox te lezen. Een inbox die ik lately zelden check, mea culpa. Het is waar: de niets.dan.vuur-rivier kabbelt hier, in dezen bocht, wat meer op het gemakske. Maar het meisje dat de Vuurzee doorploetert ligt deze dagen te blinken in de zon. Ze drinkt van de herfst met grote teugen, hoort de acajoukleurige bladeren langzaam sterven, ruikt het geknetter. Ze doet vanalles.

Ze eet paëlla op het vierentwintiguurdurend buitenfeestje van de kortgewiekte filosoof. Het is koud, maar ze heeft het warm, want ze kan vertellen over nieuwe horizons. Rondom haar de mensen die ze het liefste heeft. Die altijd dichtbij zullen blijven ook lijkt de afstand soms wat verder. Ze pluizen mogelijkheden uit, spelen vals, ergeren zich niet, zingen hummend rond de terrasverwarmer, warmen hun handen aan en tussen elkaars billen, omdat het kan, omdat het mag, omdat het altijd zo geweest is en altijd zo zal zijn.
Ze neemt haar tachtigjarige bompa mee op sleeptouw. ‘n Cinemaatje, ‘n cafeetje. Ze geniet er van hem er van te zien genieten.
Ze verbrandt bruggen achter zich, brandjes waar ze fier op is, waar ze door sommigen met gebalde vuisten voor wordt toegejuicht, en ze besluit voortaan haar rechte schouders nog rechter te houden, het zo te houden, het oude bij het oude te laten, gesorteerd, oud papier. Hop, de stapel van wijze lessen op. (Vrienden, doe haar daar aan denken, moest het zijn dat het naïeve meisje in haar nog eens valt voor ongure typjes met ruige baardjes)
Ze slaagt er in dankzij haar VIP- en BV-connecties voor haar vaders verjaardag de cd van zijn favoriete groep door alle bandleden te laten signeren en personaliseren, en haar ogen blinken als ze de zijne ziet opensperren.
Ze gniffelt om 112 lege champagneflessen die ze ’s ochtends op haar werkvloer vindt – ja, ze was bij de happy few van het feestje van die nacht. Ze eet chocolade met gember en roze peper, houdt van haar mama die een smsje stuurt met niets dan ‘mdd gdt mgapajd ptnd aj kbp’ in, neemt de tijd om nog eens gezellig in stamkroeg B. te zitten, maakt daar plannen voor stamkroeg C., en zit vervolgens een paar dagen later in stamkroeg D. En ze zit er goed, met een jongen die grote en snelle passen neemt, maar rust praat en rust straalt en haar graag meeneemt naar het verleden. Een verleden waarin ze als elfjarig meisje hartstochtelijk verliefd was op de slimste jongen van de klas, en als zestienjarige wannabe-puber voor het eerst op café ging, in diezelfde stamkroeg D.
Ze brengt een dag door in de zoo met twee kinders. Kinders die het koud hebben, geen frietjes, geen cola, geen warme chocomelk en geen langere attention span dan drie seconden willen hebben en ze besluit dat het voorlopig niets voor haar is. De kinders dan, niet de zoo.
En wanneer iedereen toch nog even samen wil zijn, ook al zijnwemoeënmoetenwemorgenvroegopwanthetisweerwèrkendag, belt de enige die wél verstandig was iedereen op een respectabel uur op om hen naar hun bed te sturen. En dat ze binnen tien minuten het licht komt uitdoen. Dat doet haar gloeien, zo’n dingen, zoals ook bij haar persoonlijke kokkin die veelbetekenend ‘ahaa, een nieuwe eend in de bijt!’ knipoogt als ze zegt dat ze die avond niet mee-eet, zoals bij de werkmakker die een kappersschaar boventovert en haar frou bijknipt, bij de nieuwe Ikea-catalogus en een fris glas melk voor ze onder de dikste dons kruipt. Hij betaalt zonder verpinken haar diner, geeft haar steeds de beste plaats, geeft het soort complimenten die net subtiel genoeg zijn om enkel door slimme meiden te worden verstaan.
Ze hangt haar dromen op in zijn net iets te lange krullenbos, het is er rag dat voorlopig heus niet ontward hoeft te worden, waarop de druppels van verwachting langzaam verzilveren als ze er stiekem vanonder haar wimpers naar gluurt. Het is goed haar dromen zo van op afstand te bekijken … zolang hij ze maar bewaart.

Ze telt een donkergroene Mini Cooper, gemakkelijke stiltes, een kitesurfpassie, the lovers’ treatment, Jose Gonzalez en gesprekken over snoeischaren bij elkaar op en trekt er haar conclusies uit. Iedere wiskundige bewerking levert een resultaat dat net iets te groot is om amper genoeg te zijn. De niets.dan.vuur-rivier kabbelt in deze bocht, maar het is een reikhalzende curve. En alles komt zoals het moet, en alles is goed. En ze doet.



Maar voor u en u en u maak ik graag een plaatske vrij
5 oktober 2007, 12:25 am
Ingedeeld onder: Uncategorized

Met een linkerpols in het gips is het leven anders. Als overtuigd linkshandige zorgt het voor vertragingen. Tandenpoetsen gaat moeizamer, schrijven is pijnlijk, haren wassen wordt een gymnastiekoefening, typen gebeurt hilarischer, en ik moet onder ogen zien dat veilig fietsen eigenlijk niet kan. Zelfs mijn gat afkuisen is niet meer wat het geweest is. Ik leef -even- met een handicap.
Maar ik ben overmoedig. Ik denk te vaak dat als ik iets gewoon maar wegdenk dat het er dan niet meer is. Zo kwam het dat ik vorig weekend plots aan het trapgat hing: mijn onvermijdelijke val nog even uitstellend, genietend van het moment, aaaah, feel that rush of adrenaline, baby, want sebiet komt ongetwijfeld de pijn. Zo’n moment waarop het handig zou zijn een pause-rewind-en-doehetopterniefstmaardantegoej-afstandbedieninkske bij de hand te hebben. ZZZZap, zo was ik nog zo dom te denken dat zolders nodig moeten worden opgeruimd, en zo zie ik in dat zolders dienen om jaren te verstoffen – en nog even verstoffend verder kunnen, heus, echtigwel, als ge zo’n ambetant ding aan uw arm hebt.
En zo kwam het dat ik vanavond mijn fiets opklauterde, ook al liet die pols dat eigenlijk niet toe. Zij-die-over-alles-enthousiast-is en ik, wij hadden elkaar al veel te lang niet gezien, al zeker vier dagen niet!, en zoals dat gaat bij meisjes op de fiets, die hebben elkaar altijd veel te vertellen. Bij vertellen hoort gesticuleren, bij gesticuleren hoort met uw stuur zwiebelen, bij met de sturen zwiebelen hoort sturen in elkaar haken, en daar hoort dan weer bij: vallen. Vallen en opstaan. Vallen, lachen en opstaan.
En net zoals die paar seconden dat ik aan het trapgat hing, verloopt zoiets in s l o w m o t i o n. Een gesprek dat stokt, ge kijkt allebei naar uw stuur in de hoop dat uw telekinetische gaven miraculeus plots hun werk zouden doen, ge roept ‘aiaiaiai pas op!’, ook al weet ge allebei dat het onvermijdelijke al lang niet meer valt te vermijden. En tijdens het vallen denk je: shit, mijn pols! waardoor ge u volledig op uw andere pols concentreert, daar keihard met uw volle gewicht op valt, uw vriendin keivol met haar harde gewicht op u, en ge krabbelt recht en ge klopt het stof van uzelf en van elkaar af en ge roept ‘ca va!’ – ‘ja, ca va!’ en de ganse voorbije honderd(*) woorden, dat allemaal, gebeurt in amper vijf seconden.
Zo kwam het dat ik vanavond in een pracht van een theaterzaaltje naar een pracht van een cabaret-onewomanshow-kleinkunst-musicalmonoloog zat te kijken, terwijl er een gat zat in mijn nylonkous, een scheur in mijn linkerroodleren botteke, bloed op mijn knie en bloed op mijn hand, maar het kon mij allemaal niets schelen, want ik luisterde naar Evi en ik moest huilen en lachen, écht huilen en écht lachen, en het leven is schoon en ik heb er overal allemaal goésting in. Want dat was iets wat Evi, met al haar levenswijsheid, teweegbracht in de zaal. Een zaal vol bekende gezichten, want Evi speelde een thuismatch, voor mensen van vroeger die net als ik vinden dat uit het oog niet uit het hart hoeft te zijn. Het was een warme avond, met warme gevoelens, warme mensen, en warme handen. En ik dacht terug aan de tijd toen Evi en ik samen op het podium stonden, jaaaaren geleden, in het toenmalig Amerikaans Theater, waar de Droomfabriek werd opgenomen. Wij waren fan van de Droomfabriek toen, en dus ook van Bart Peeters, wat mooi uitkwam, want een halfuur daarvoor stond hij met ons nog moppen te tappen in de schminkkamer(**), terwijl wij van zenuwachtigheid niet wisten waar eerst staan. Kiiiiiinderen voooor kiiiinderen, zongen we, en gans Vlaanderen kon ons zien. Dat waren tijden, hoor. Sindsdien is alles veranderd. … … Eigenlijk is er helemaal niks veranderd.
Met een linkerpols in het gips is het leven juist hetzelfde. Er worden vijftig uren per week gewerkt, en daarnaast vind ik de tijd om slakken te eten tijdens tuinfilms, van trappen te vallen tijdens zolderopruimsessies, mijn rode cowboybottekes aan flarden te vallen tijdens vriendinnenuitstapjes, genieten van mooie woorden van oude bekenden, maar ook om naar Ben X te gaan kijken met de mooiste jongen van de klas (die eigenlijk, hoe langer ik hem ken, steeds minder mooi wordt, zoals dat gaat, en dat ik me zelfs afvraag of, hoewel ik vind dat je best zo veel mogelijk ramen open laat staan, het toch niet tijd wordt bepaalde deuren definitief te sluiten), heerlijke avonden te beleven op de zetel van de-jongen-van-mijn-eerste-zoen (ja! na tien jaar zien we elkaar niet alleen nog steeds, we zien elkaar nog steeds graag), te gaan dineren in een kasteel ter gelegenheid van het tachtigjarig bestaan van mijn bompa, mij volledig fout verkleed te begeven naar hoofdstedelijke gewesten voor specifieke kotfeestjes, in tuinhangmatten Iranees te eten in het gezelschap van de grieten met wie ik Marokko een hele tijd onveilig maakte, ’s morgens vroeg op te staan om eikes te bakken zodat ik bokes met eikes kan maken voor mijn voltallige liefhebbende collegaploeg, dat allemaal, en dat allemaal met mijn kindje dat sinds kort ook een naam heeft. Dat mijn pijntjes hun eigen Wikipedia-pagina hebben, dat vind ik vooral heel erg cool, zo cool dat sinds ik die pagina vond, al heel wat minder pijn wil voelen.
Toch hoop ik dat het goedkomt, spoedig, miraculeus vanzeneigen door toch-nog-even te wachten. Want één keer van een trap vallen is goed, één keer met de fiets vallen valt nog weg te lachen, … maar mijn ganse toekomst is volgeboekt. Want hoe brok-vol-goesting en niets-dan-vuur ik ook ben, die ganse toekomst is zo volgeboekt dat pijn er eigenlijk niet langer bij kan. En er stond wel degelijk BROK, hé, mannen.

soms zou ik willen dat ik de tijd kon kussen
zacht zoenend zeggen ‘doe je ogen dicht’
en dan stiekem drie passen achterwaarts sluipen
om vanop afstand bewust te glimlachkijken
hoe de toekomst nog altijd -genietend- voor me ligt

(*) Ja, ik had die voorbije honderd woorden echt geteld, ja, het zijn er echt op de kop honderd, en ja, dat berust puur op toeval.
(**) En awel, van zodra ik een scanner vind, laat ik jullie daar een foto van zien.